vrijdag 3 februari 2012

Glas



Voetstappen knerpen in bevroren gras.
Adem in fijne wolken, scheermessenkou, longen splijten.
De lucht, helder, koud, ongenaakbaar.
De oostenwind voert de dieselmotor van de pont.
Haar kabel trekt knarsend strak.
Windwakken in ondergelopen veld.
Ik betreed en scheuren kruipen arglistig naar de voeten.
Eenden vluchten schaatsend tussen maïsstoppels weg.
Het water daalt, krimpt, kraakt en knalt.
Aan de dijk zilveren eekhoorntjesbrood.
Hardvochtig stroomt de rivier.
Ontoegeeflijk, onvermurwbaar.
Noordwaarts. De blik. Gericht.
Altijd noordwaarts.
Mijn natuur is glas.

© Lammert Voos
Foto: © Saskia van Nijen

woensdag 1 februari 2012

Stadsgedicht

In dezelfde week dat de sluiting van diverse jongerencentra aangekondigd wordt vanwege geldproblemen keurt het college van Deventer het peperdure ontwerp van een nieuw stadskantoor goed. Overal valt het woord 'crisis' en worden bezuinigingen aangekondigd die vooral de zwaksten in de samenleving treffen. Hoe verhouden deze berichten zich tot elkaar?

Prestige

de jeugd heeft de toekomst,
maar dan wel op straat, terug
naar de jaren tachtig, bezuinigen
op de menselijke maat, maar voor
prestige is er altijd geld genoeg

de snijdende oostenwind haalt
de zwervers binnen, maar hoe lang
bestaat deze zorg nog, de gemeente,
ooit artikel 12, nu armoedig qua
moraal, lege kantoorpanden genoeg

maar bestuurders, zien liever nieuwe
gevels ingevuld en toeristen komen toch
niet in de verpauperde wijken, zelfredzaamheid,
de buikriem aantrekken, het bekt beter
dan laat ze maar aan hun lot over

de ijssculpturen van Zwolle krijgen navolging
in onze stad, met bevroren daklozen op de trappen
van het nieuwe kantoor, bezuinigingen hebben
immers hun prijs en een nieuw stadskantoor ook,
maar waarschijnlijk vinden ambtenaren dat een

onredelijk vergelijk

© Lammert Voos

dinsdag 31 januari 2012

Veurpruifke

Het openingsgedicht van mijn Groningstalige bundel Mien zinloze aanwezeghaid die 27 april verschijnt bij De Kleine Uil.

Nemesis

k heb doezenden leutje stainen ofbikt en
der veur joe op wierde n kerk mit baauwd;
mien veurgeslacht laag der al n aiveghaid
begroaven, mor dikke boeren wollen joen
koale graf nait zain en metselden roamen
op t noorden dicht, tegen wiend vanof
t Wad, zoas ze lafharteg zeden, en op veurste
baanken wer fluusterd over ons minneghaid
en ze legden stuvers ien gaangpad om te
kieken of wie dij sums zulf ien buus staken

mor ik hufde joen sinterij nait,
k haar woorden

© Lammert Voos

zaterdag 28 januari 2012

Tatoe

In de Volkskrant van vandaag een foto van de tatoeage van een oude dame. Zij heeft op haar linkerborst laten zetten dat ze niet gereanimeerd wil worden.

Ik heb ook tatoeages. Die heb ik in een grijs verleden laten zetten. Ze hebben echter niet zo’n intrinsieke betekenis als die van de oude dame. Onlangs heb ik nagedacht over het plaatsen van een nieuwe, maar ik vind een vijftigjarige die zich laat tatoeëren iets infantiels hebben. In het geval van de oude dame vind ik dat in het geheel niet, integendeel, ik sympathiseer met de gedachte erachter. Wellicht een idee voor mezelf als ik tachtig ben.

Uiteraard wordt de rechtsgeldigheid van de tatoeage in twijfel getrokken. Er wordt als argument gebruikt dat de oude dame zich nog best zou kunnen bedenken. Zelfs de dood heeft kennelijk rechtsgeldigheid nodig in dit land. Vrije wil wordt een farce omdat een ieder de letselschadeadvocaten vreest.

Ik weet heel zeker dat die oude dame langer over het plaatsen van haar tatoeage en de betekenis erachter heeft nagedacht dan ik destijds.

© Lammert Voos

vrijdag 27 januari 2012

Il Piratino


© Saskia van Nijen

Eerlijk delen

Ze zag hem vanachter haar gordijnen al dagen door de straat scharrelen, alle vuilnisbakken nauwgezet doorzoekend.
Dat vervulde haar met walging, maar ze had ook best met hem te doen.
Ze wilde hem helpen, maar ze was bang dat als ze hem geld gaf hij daar drank, of erger nog, drugs voor zou kopen.

Daarom besloot ze het op haar eigen manier aan te pakken.
In de buurtsuper kocht ze een plastic tas vol blikken soep, groente, krielaardappeltjes, knakworst en ham.
Toen ze hem weer zag stapte ze vol goede moed en monter met de volle plastic tas op hem af.

Van dichtbij zag hij er nog beklagenswaardiger uit dan van dichtbij.
Zijn haar hing in vuile slierten langs zijn jukbeenderen en zijn baard zat vol dikke klitten.
Hij stonk.
Hij had heldere blauwe ogen.
Maar toen ze hem de tas toestak zag ze die vertroebelen en zijn gezicht betrok bovendien.

Het is ook nooit goed. Haar ouders. Teleurstelling over haar keuzes. Geen carrière, geen kleinkinderen. Boekhoudster in een voorstad. Niets om trots op te zijn. Niets om over op te scheppen tegen de buren. Geen ingeloste verwachtingen. Ze voldoet niet. Ze is een teleurstellende dochter, een teleurstellend mens.

Defensief snauwde ze de zwerver toe.
‘Is het meneer niet goed genoeg?’
Hij glimlachte minzaam van tussen zijn klitten.
‘Dat is het niet. Ik heb geen blikopener, geen pannetje, geen vuur en bovendien ben ik vegetariër.’
Ze voelde zich verschrompelen en door de grond zakken.
‘Maar kunt u misschien ook een eurootje missen?’

© Lammert Voos

zondag 15 januari 2012

Vergeten namen (3)



De grootste vergeten held die ik ooit gehad heb is Bram Bongers. Misschien kent u hem als Fred Kaps. Eigenlijk ben ik hem nooit vergeten, maar aangezien ik de enige moderator van dit blog ben, permitteer ik me de vrijheid hem er bij te slepen.

Kaps was vroeger wereldkampioen goochelen, in de tijd dat men geen windmachines had en het haar nog gewoon op het hoofd plakte met brylcreem. Hij was zo ontzettend vingervlug en behendig dat hij zelfs optrad in de Ed Sullivan-show in de VS.

Toen ik nog een jochie was, kaartte ik veel met mijn oudere zusters en broer. Als het mijn beurt om te schudden en delen was strooide ik de kaarten in het rond en lachte dan schaapachtig en zei: ‘Fred Kaps.’ Mijn broer vond dat stom (was het ook), maar mijn zusters lagen dan in een deuk van het lachen.

Wat zij niet wisten, was dat ik uren op mijn onhandigheid zat te trainen en aldus precies bij het elkaar graaien van de kaarten wist waar ik wàt had ingestoken. Zo kon ik winnen. Ik was en ben een slechte verliezer. Sportiviteit is voor watjes. Het hele leven is één grote competitie en als je altijd een ander voor laat gaan, kom je zelf nooit door die draaideur.

Ik heb in mijn leven maar één keer geklaverjast met vrienden en hoewel ik een briefje met de punten moest gebruiken, won ik ieder potje. Mijn vrienden schreven dat toe aan beginnergeluk. Ik wist wel beter.

Er zullen nu ongetwijfeld lezers zijn die denken dat ik dit allemaal verzin en dat mag. Bij mij weet je nooit wat echt is en wat ik verzonnen heb. Ik ben immers een beroepszwamneus. En best een goede, al zeg ik het zelf.

Soms weet ik zelf niet eens meer wat ik nou verzonnen heb en wat echt gebeurd is. Dan wordt het tijd om op vakantie te gaan.

Tot over een tijdje.

© Lammert Voos